Therapeutische hulp         Scholing voor therapeuten Schoutserf 15, 3991 KK Houten tel. 030-2661769  info@mensinwerking.org Hans Mennes en Cornélie Spijkerboer HOME Columns Mijn Achilleshiel>> Relatie-economie>> Ruzie? Kom tot jezelf!>> Dochter en vader>> Geboorte van een oma>> Een waarheid als een koe>> Dochter en vader Stel, een vrouw, getrouwd,  bijna 50, leuke baan, vrienden, hobby’s. Niks ontbreekt. En toch kan ze de laatste weken regelmatig overvallen worden door diep verdriet. Het is zomer en haar vader is ernstig ziek. Hij weet, en zij weet dat hij het eind van de zomer waarschijnlijk niet zal halen. Zij en haar man hebben de vakantie afgezegd om in de buurt te kunnen blijven. Voor de nodige hulp maar ook gewoon omdat ze dicht bij hem willen zijn, nu het nog kan. Als ze dit vertelt wellen de tranen op in haar ogen. Ze zal hem zó missen… Haar mond vertrekt, ze snikt, ze voelt zich kwetsbaar en verdrietig. Ze heeft een goede band met haar vader, zeker de laatste jaren. Hij is er voor haar, hij snapt haar diepe zielenroerselen. Soms eerder dan zij zelf. Dat betekent dat hij haar kent, door en door kent en haar ziet. Hij zegt er dan altijd voorzichtig iets over, heel liefdevol, met weinig woorden. Juist op die manier voelt ze hoe hij haar aanvoelt. Hij kan op andere momenten zo rationeel zijn maar in deze momenten is hij één en al gevoel. Ook fysiek is hij dichtbij en voelt ze zich door hem gesteund, gedragen soms zelfs. Jaren geleden kwam hij haar halen van het station, dat deed hij altijd, heel trouw, ook al kon ze best lopen of met de bus. Hij wist dat zij dat fijn vond, dat ze zich dan geborgen voelde. Zij weet dat hij dit deed om iets in te halen, althans zo voelt zij dit, van de keren dat hij er niet voor haar was , in haar jeugd.  Maar nu gaat hij dood en zij begrijpt wat er met haar gebeurt. Haar vader is er straks niet meer. Dat betekent dat hij niet meer voor zijn kleine meisje kan zorgen, zo voelt het. En dit klinkt raar. Zij is toch een volwassen vrouw, die goed voor zichzelf kan zorgen en alles op orde heeft in haar leven? Ja, dat klopt, en zo voelt ze zich ook. Maar het diepe verdriet dat haar af en toe overspoelt is het verdriet van het meisje in haar, dat vroeger géén goede band met haar vader had.  Elk mens heeft een klein meisje of jongetje in zich die hij/zij altijd in zich draagt. En die kleine kinderen blijven verlangen naar zorg die ze als kind niet (voldoende) hebben gekregen van hun ouders: koestering, zorg, steun, richting, noem maar op. Ook al krijgt de volwassene nu alles wat ze zou willen, het Kind in de volwassene blijft het oude gemis voelen. De vrouw is zich bewust van het Kind in haar. Of eigenlijk wel van meerdere Kinderen. Als ze zo diep verdrietig is, dan voelt ze zich als het ware kind worden. Ze merkt dat aan de manier waarop ze huilt en ze merkt het ook aan de woorden die ze aan haar gevoel geeft. Ze zegt bijvoorbeeld: “Straks heb ik geen vader en moeder meer, ik kan nooit meer iets aan ze vragen.” Hier lijkt een opgroeiend Kind te spreken, een teenager bijvoorbeeld, die raad vraagt aan haar ouders. Maar de vrouw kan ook veel ‘jonger’ verdriet voelen. Als ze bedenkt dat haar vader haar nooit meer in zijn armen zal sluiten om haar te knuffelen en haar bij haar koosnaampje te noemen die híj alleen gebruikt. Dan spreekt een kleuter of peuter in haar. Als de ‘herinnering’ woordeloos en vormloos is, gewoon een onbenoembaar verdriet, gaat het waarschijnlijk om een baby ‘herinnering’. Het is goed om stil te staan bij deze gevoelens en te beseffen dat in jou een Kind ‘aan het woord is’. Je kan, omdat je ook een volwassene bent, dit Kind zelf die knuffel geven en liefdevol toespreken. Veel mensen kennen dit Kind in zichzelf niet en zullen zichzelf op hun kop geven en vinden dat ze kinderachtig doen, als ze dergelijke gevoelens hebben. Of ze drukken deze Kindgevoelens weg, als irrationele gevoelens. Een rouwperiode, zoals de vrouw nu doormaakt, is een kans om contact te maken met het Kind en oud zeer te helen. Door het oude verdriet toe te laten en vervolgens zelf voor het gekwetste Kind te gaan zorgen. Houten, juni 2011 Cornélie Spijkerboer Ruzie? Kom tot jezelf! Toen ik klein was, moest ik naar mijn kamer als ik iets verkeerds had gedaan. Ik mocht dan pas weer boven komen (mijn kamertje lag in het souterrain) als ik spijt had. Misschien herinner ik het me niet goed maar zo heb ik het beleefd. Vanochtend dacht ik na over de uitdrukking ‘tot je zelf komen’. Een mooie uitdrukking eigenlijk. Veel stellen die bij ons in relatietherapie komen, hebben last van ruzies waar ze niet uit komen. Ze hebben de neiging om te blijven ruziën, tot ze ‘er uit zijn’. Meestal betekent dat, dat de één gewonnen heeft en de ander zich gewonnen heeft gegeven of aan het kortste eind heeft getrokken. Dit is een uitkomst die het zaad plant voor de volgende ruzie. Er staat immers nog een rekening open die vereffend moet worden. Daarom leren we de partners om zich, terwijl de ruzie nog niet over is, terug te trekken. Niet om, zoals vroeger bij mij thuis, na te denken over hun zonden en dan spijt te kunnen betuigen, maar om weer ‘tot zichzelf te kunnen komen’. Wat gebeurt er in een ruzie? Partners voelen zich tekort gedaan of gekwetst door de ander. Ze wijzen naar de ander, de ander valt hun aan, verwijt hun onterecht, doet gemeen of onverschillig.  Bij de opdracht om zich terug te trekken vragen we de partners met hun aandacht naar binnen te gaan. Stop met wijzen naar de ander maar ga onderzoeken wat er met jóu gebeurt. En dan is “Ik voel me gekwetst door jou, en als jij nu maar zus of zo doet, dan voel ik mij beter”, geen tot je zelf komen. Tot je zelf komen betekent dat jij je energie helemaal van die ander afhaalt en met al je aandacht naar binnen gaat, naar oude wonden die je al je hele leven met je meedraagt en een eigen leven zijn gaan leiden. Wonden die je nu op je partner projecteert.  In de therapie schenken we volop aandacht aan deze oude wonden. We onderzoeken met de partners hoe zij elkaar ‘in elkaars oude pijn raken’. Het is elke keer weer wonderlijk om te zien hoe partners elkaar hier feilloos op hebben ‘uitgezocht’. Ook leren we partners hoe zij dit gekwetste kind, dat ze in zich meedragen, zelf kunnen troosten. Als dit werk gedaan is, komen de partners weer in contact met hun innerlijke krachtbron. De bron die hen weer stevig op hun voeten zet, bij zichzelf, in hun autonome kracht. Ook dit is ‘tot je zelf komen’. Cornélie Spijkerboer Relatie-economie, december 2011 Van een oude handelsrelatie leerden we het volgende: In tijden van economische crisis moet je niet stil in een hoekje gaan zitten wachten tot het weer beter gaat. Nee, je moet dan juist investeren. Als de economie dan weer aantrekt ben jij er helemaal klaar voor. Je zal dan kunnen oogsten wat je hebt geïnvesteerd. Deze economische ‘wet’ passen we toe op onze praktijk. Gaat het wat minder dan gebruiken we de tijd die we over hebben om bijvoorbeeld nieuwe ‘producten’ te ontwikkelen, of, zoals dit voorjaar, onze tuin opnieuw (zelf!) te bestraten. Maar deze wet geld niet alleen voor ons micro-economisch huishouden. Hij geldt ook voor onze relatie. Als het niet goed gaat met je relatie, kan je gaan zitten wachten tot het beter gaat, je kan je verschuilen achter je PC of de kinderen, of je op een andere manier in je schulp terugtrekken. Je kan dit letterlijk doen maar ook figuurlijk, door te ontkennen dat je niet meer zo happy bent in je relatie. Hier schiet je relatie niets mee op. Kom je uit je schulp dan tref je nog precies dezelfde situatie aan en zal jij je weer opnieuw terug trekken. Zo groei je langzaam maar zeker uit elkaar, tot het misschien te laat is. Bij crisis investeren, betekent voor je relatie dat je, als je relatie in zwaar weer is beland, je gaat investeren in je relatie. Ga samen om de tafel en lucht je hart, wees eerlijk in je wensen en verlangens, in wat je mist, in wat je ten diepste wenst van de ander. Maak hier afspraken over. Houd bijvoorbeeld minstens een keer in de week een partnergesprek en spreek regelmatig uit wat je in de ander waardeert of lief vindt. Kortom, investeer in je relatie, juist als het wat minder gaat. Als de bui dan weer over drijft en achter de wolken de zon begint te gloren, kun je gaan genieten van je relatie die zich heeft verdiept of versterkt. Cornélie Spijkerboer Een waarheid als een koe. Een modern cliché: Boeddha in de vensterbank We willen tegenwoordig allemaal verlicht worden en graag boeddhistisch zijn. Een beetje zelfbewust mens mediteert en gaat regelmatig in retraite naar een klooster. Boeddha was een prins die zijn moeder verloor toen hij een peuter was. Een peuter zit in een essentiële ontwikkelingsfase, nl. de hechtingsfase. De fase waarin hij (zij) zich leert hechten aan zijn ouders, met name zijn moeder. Hij voelt zich veilig in de nabijheid van de ander. En leert dat hij op haar kan vertrouwen, dat zij er voor hem is waar hij haar nodig heeft. Een kind heeft zijn moeder nodig voor lichamelijke, materiële en emotionele steun. Een kind dat die steun niet (voldoende) krijgt, gaat ’voor zichzelf beginnen’. Dit kind denkt (ten onrechte) dat hij beter voor zichzelf kan zorgen.  Van de ander krijgt hij immers niet wat hij nodig heeft. Een kind dat zich gezond hecht durft te vertrouwen op de ander. Een volwassene die zich als kind goed heeft gehecht, durft te vertrouwen op de ander en durft te erkennen dat hij het alleen niet kan en hoeft. Natuurlijk is een volwassene vele malen autonomer dan een klein kind maar ook een volwassen mens is een sociaal wezen en overleeft niet in zijn eentje. Hij heeft de fysieke bescherming nodig van de groep en de emotionele steun van zijn medemens. Boeddha verloor zijn moeder op veel te jonge leeftijd, in de zo belangrijke hechtingsfase waardoor hij het proces van vertrouwen op zijn medemens wellicht niet goed heeft kunnen afronden. Een tweede belangrijke fase in de hechting van het kind is de exploratiefase. Het kind heeft een voldoende veilig ‘moederbeeld‘ in zich opgeslagen dat het alleen op pad durft te gaan. Niet te ver want moeder moet wel in de buurt zijn om hem op te vangen als hij moe of geschrokken is van het exploreren. Bij een gezonde ontwikkeling gaat de exploratie steeds verder van huis. Eerst in huis, dan in de tuin, dan de eigen buurt en ga zo maar door totdat het mensenkind in hele nieuwe vreemde gebieden komt en ook daar leert zich veilig te voelen van uit zijn inmiddels stevig gewortelde innerlijke veilige basis. Boeddha heeft die exploratie niet goed af kunnen maken, daar hij de paleismuren niet uit mocht. Zijn vader was overbeschermend, typisch een karaktertrek van ouders die een onveilig kind produceren. Zulke kinderen en wellicht Boeddha ook wel, leren niet voldoende te vertrouwen op zichzelf en de buitenwereld. In dit licht bezien, begrijp ik mijn reserves tegen het boeddhisme. Het leven is lijden en je moet je er van zien ‘los te maken’.  Dat moet je dan ook nog in je eentje doen. Niet meer afhankelijk zijn van andere mensen, autonomie noemen we dat tegenwoordig, of Vrij. Natuurlijk zit er ontzettend veel heilzaams in het autonomieprincipe. Je los maken van onnodige afhankelijkheid van je omgeving, je spullen, waar je status of schijnveiligheid aan ontleent, je verleden waar je niet los van komt, je partner die je gebruikt om de wonden van het verleden te helen (wat niet lukt) etc. Maar we dreigen te vergeten dat wij, de mens een sociaal dier is dat niet zonder zijn medemens kan, ook niet als autonome volwassene. Biologisch gezien, overleeft een mens het simpelweg niet alleen. De mens is, i.t.t. andere species, een sociaal wezen. Ik heb dit ooit in mijn biologielessen nog geleerd. Ik denk dat ik mijn Boeddha maar eens uit de vensterbank haal en er een Hollandse koe in zet. Cornélie Spijkerboer <<naar boven Mijn Achilleshiel. (januari 2012) Ik kwam vanochtend bij mijn fysiotherapeut met pijn in mijn enkel, of eigenlijk net boven mijn enkel, achter, onder mijn kuit. Het voelde als een pees. Toch niet gescheurd hoopte ik? Ze legde me op de tafel en ging kneden. Au!, wat deed dat zeer. Ze drukte niet eens zo hard, zei ze. Ondertussen raakten we aan de praat – dat doen we altijd volop. Zij vraagt en ik vertel over mijn werk, mijn leven, hoe ik in mijn vel zit, altijd voldoende gespreksstof. We hadden het over mijn vader die in oktober is overleden en ze bevroeg me als een doorgewinterde psychotherapeut. Al snel droop het snot uit mijn neus en ogen op de   hygiënische handdoek. Ik had verdriet om mijn vader. Niet omdat ik hem zo intens mis, daar ben ik te oud voor of daar heb ik mijn hang-ups voldoende voor doorgewerkt. Nee, volgens mijn fysiotherapeut kwam het omdat ik nu niet (en nooit) meer voor mijn vader kan zorgen. Mijn hoofd protesteerde, als kind had ik al voldoende voor mijn ouders gezorgd; die behoefte zou ik nu toch niet missen!, Maar mijn ogen en neus huilden, en mijn hart. Ja, daar had ze toch echt een punt. Als filmbeelden rolde de een na de andere herinnering langs mijn geestesoog waarin ik zo een intens verdriet om mijn vaders eenzaamheid voelde…..  Als geparentificeerde dochter wil je dan wel heel graag gaan zorgen…. En als dat dan niet (nooit) meer kan, is dat een groot gemis. Sterker, voor het kind in mij is dat dodelijk!  Misschien bedoelde mijn fysiotherapeut het niet zo maar ze had wel precies mijn achilleshiel te pakken. Na afloop heb ik haar bedankt  voor de dubbele sessie. Cornélie Spijkerboer